In ons eerdere artikel “Jeugdzorgketen faalt: raad, college en professionals aan zet” maakten we één punt glashelder: als verantwoordelijkheid schuift, betaalt het kind de prijs. Kind centraal klinkt mooi, maar in de praktijk zie je te vaak het omgekeerde: schaarste stuurt, rollen worden smal uitgelegd, en pas als het misgaat begint het wijzen. Dat patroon zien we terug in discussies over plaatsingen, wachttijden, specialistische naschoolse opvang en in de aanloop naar 10 voor de jeugd. En precies daarom is het tijd voor de volgende stap: als we verantwoordelijkheid serieus nemen, moeten we óók doorgronden wat de verantwoordelijkheid van het rijk is in dit stelsel.
Er gebeurt op dit moment iets belangrijks. De jeugdzorg wordt steeds meer georganiseerd in jeugdregio’s, met als doel de beschikbaarheid van specialistische zorg beter te borgen en versnippering tegen te gaan. Tegelijk loopt de bredere koers om meer te normaliseren: niet alles medicaliseren, eerder in de basis ondersteunen, en specialistische zorg alleen inzetten waar dat echt nodig is. Op papier klinkt dat verstandig. In de praktijk kan het ook iets anders worden: normaliseren als financieel instrument, een nette term voor “u krijgt het niet” of “u moet wachten”. En dan hebben we precies het probleem waar we eerder voor waarschuwden: de keten faalt niet door één fout, maar door een houding die grijze gebieden accepteert en risico’s doorschuift naar het kind.
Dit alles speelt tegen de achtergrond van een openlijke discussie tussen VNG en rijk over geld. Het rijk heeft tijdelijke extra middelen beschikbaar gesteld en er is intensief overleg gevoerd over de bekostigingssystematiek. Dat feit is belangrijk, los van de bedragen. Want wie tijdelijk bijpast, erkent dat er druk zit op het stelsel. Wie een commissie laat adviseren, erkent dat er twijfel is over wat “toereikend” is. En wie ondertussen zegt dat gemeenten hun tekorten zelf moeten oplossen, kiest feitelijk voor doorschuiven: de rekening zakt de keten in, totdat die bij kinderen en gezinnen landt.
De kernvraag is daarom niet alleen: hoeveel geld is er? De kernvraag is: hoe kan het dat lagere overheden wettelijke taken moeten uitvoeren, terwijl de financiële kaders structureel zo krap kunnen zijn dat behoorlijke uitvoering in het gedrang komt? En de vervolgvraag is dan automatisch: welke verplichtingen heeft het rijk zelf, juridisch en bestuurlijk, om te voorkomen dat een wettelijke plicht in de praktijk een onmogelijke opdracht wordt?
Gemeenten hebben een wettelijke taak, maar het rijk blijft verantwoordelijk
De Jeugdwet legt de verantwoordelijkheid voor jeugdhulp bij gemeenten. Dat is de kern van decentralisatie. Maar decentralisatie betekent niet dat het rijk buiten beeld verdwijnt. In rijksstukken wordt ook expliciet gesproken over stelselverantwoordelijkheid: het rijk bepaalt het wettelijk kader en moet borgen dat het stelsel als geheel werkt. Gemeenten voeren uit, maar binnen rijkskaders.
En daarmee kom je bij de juridische haakjes die wij zien. Niet als dreigement, maar als onderlegger voor het debat: wat is het wettelijk kader, en wie is waarvoor verantwoordelijk? Te vaak voeren gemeenten braaf uit zonder dat de minimale kaders en het financiële plaatje vooraf echt helder zijn. Het rijk kan dan achteroverleunen, terwijl gemeenten vanzelf probleemeigenaar worden en het risico uiteindelijk bij kinderen en gezinnen landt.
Haakje 1: onderbouwing en transparantie bij financiële gevolgen (wettelijk kader: Financiële-verhoudingswet en Aanwijzingen voor de regelgeving)
Het rijk heeft zichzelf spelregels opgelegd voor wetgeving die impact heeft op gemeenten. De Financiële-verhoudingswet verplicht om bij beleid/wetgeving die taken of activiteiten bij gemeenten beïnvloedt, in de toelichting met kwantitatieve gegevens te onderbouwen wat de financiële gevolgen zijn en hoe die worden opgevangen. Daarnaast bevatten de Aanwijzingen voor de regelgeving (o.a. Aanwijzing 4.46) de verplichting om financiële gevolgen voor decentrale overheden apart te bespreken en tijdig overleg te voeren. De kern van dit haakje is: je kunt geen taken en ambities neerleggen zonder heldere financiële onderbouwing, en vervolgens doen alsof uitvoerbaarheid een lokaal probleem is.
Haakje 2: compensatie bij medebewind (wettelijk kader: Gemeentewet en Provinciewet)
Er bestaat in het staatsrecht een principiële regel: als het rijk taken opdraagt in medebewind, hoort daar compensatie bij. In verschillende officiële bronnen wordt dit gekoppeld aan artikel 108, derde lid, Gemeentewet (en het parallelle artikel 105, derde lid, Provinciewet): bij gevorderde taken moet het rijk de kosten vergoeden. Dit is een belangrijk haakje omdat het de discussie verplaatst van “lobby om geld” naar “welke taken zijn verplicht opgedragen, en welke randvoorwaarden moet het rijk dan bieden?”. Bij de Jeugdwet is precies dát interessant: gemeenten hebben beleidsruimte, maar ze hebben ook een wettelijke plicht om jeugdhulp beschikbaar te hebben. Als die plicht structureel niet behoorlijk uitvoerbaar is binnen het rijkskader, dan komt de medebewind/compensatievraag op tafel.
Haakje 3: het rijk kan zich niet verschuilen achter decentralisatie (wettelijk kader: Jeugdwet en stelselverantwoordelijkheid)
De Jeugdwet legt de uitvoering bij gemeenten, maar het rijk blijft verantwoordelijk voor het stelsel als geheel: wetgeving, systeeminrichting en randvoorwaarden. Dat betekent dat het rijk zich bestuurlijk en juridisch niet kan beperken tot “gemeenten zijn aan zet” als het systeem structureel knelt. Zeker niet als het rijk zelf erkent dat er spanning is door tijdelijke bijplussing en langdurig overleg met de VNG. Dit haakje gaat dus over rolzuiverheid: wie het stelsel ontwerpt en bewaakt, kan niet alleen decentraliseren en daarna wegkijken.
Haakje 4: lokale autonomie en verhouding taak-middelen (wettelijk kader: Europees Handvest inzake lokale autonomie, artikel 9)
Naast nationale regels bestaat er een Europees normatief kader dat precies het probleem benoemt: lokale overheden moeten voldoende middelen hebben, en die middelen moeten in redelijke verhouding staan tot hun taken en bevoegdheden. Dat staat in artikel 9 van het Europees Handvest inzake lokale autonomie. Dit is geen automatische “betaal nu”-knop, maar het is wel een krachtig kader om te zeggen: structurele disbalans tussen taken en middelen is niet alleen politiek ongemakkelijk, maar botst met fundamentele uitgangspunten van lokale autonomie.
Haakje 5: kinderrechten als ondergrens (wettelijk kader: VN-Kinderrechtenverdrag, EU-Handvest grondrechten artikel 24, Europees Sociaal Handvest artikel 17)
Tot slot is er het kader dat vaak ontbreekt in financiële discussies: het recht van het kind. Het VN-Kinderrechtenverdrag verplicht staten om kinderrechten te realiseren en daarvoor beschikbare middelen in te zetten. Het EU-Handvest van de grondrechten benoemt in artikel 24 expliciet dat het belang van het kind een essentiële overweging moet zijn. En het Europees Sociaal Handvest (herzien) verplicht tot passende bescherming van kinderen. Deze normen geven taal voor de ondergrens: normaliseren en bezuinigen mogen nooit leiden tot onveilige situaties, structureel geen passende plek, of hulp die te laat komt.
Normaliseren: rijk kan financieel effect niet op voorhand inboeken
Nog een ongemakkelijke, maar noodzakelijke overweging: het rijk stuurt op normaliseren, maar verwacht tegelijk dat het financieel effect vanaf 2028 gaat landen. Hoe kun je budgetten nu al afknijpen als je nog geen hard, toetsbaar beeld hebt wat normaliseren financieel oplevert, per regio en per doelgroep?
De vraag is dan: mag je die onzekerheid één op één bij gemeenten neerleggen? Juist hier komen de wettelijke spelregels in beeld: bij rijksbeleid dat financiële gevolgen heeft voor gemeenten moet het rijk de gevolgen kwantificeren en onderbouwen (en dus niet sturen op aannames), en in het bestuurlijke akkoord wordt óók erkend dat als besparingen ondanks volledige inzet niet worden gehaald, het rijk daarvoor verantwoordelijk is.
Normaliseren kan inhoudelijk verstandig zijn, maar financieel moet het rijk dan ook de randvoorwaarden, de monitoring en het risico borgen – anders schuift het stelselrisico alsnog naar beneden, met als eindstation het kind.
Waarom dit ertoe doet voor 10 voor de jeugd
10 voor de jeugd gaat niet alleen over organisatie, maar over sturing in een situatie van druk. Als we keuzes primair laten bepalen door prognoses en geld, zonder harde norm vooraf, dan maken we de keten kwetsbaarder. Dan krijg je een regionale versie van hetzelfde patroon: iedereen werkt hard, iedereen overlegt, maar als de ondergrens sneuvelt wijst men naar elkaar. En de raad hoort het te laat, terwijl de raad het budgetrecht heeft en dus ook de verantwoordelijkheid om kaders te stellen.
Daarom moet het gesprek beginnen met één vraag die je niet kunt wegmasseren: wat garanderen we altijd voor het kind? Pas als die norm vastligt, kun je verantwoord praten over normaliseren en over regionale herinrichting. En pas dan kun je het rijk volwassen aanspreken op zijn eigen spelregels en stelselverantwoordelijkheid: niet vanuit emotie, maar vanuit het wettelijk kader dat al bestaat.
Slot
Dit artikel is geen oproep om morgen al naar de rechter te stappen. Het is een oproep om het debat volwassen te voeren en ons als gemeenten steviger te positioneren richting het rijk. Gemeenten moeten leveren, professionals moeten kunnen handelen, en het rijk moet randvoorwaarden borgen. Als we die verantwoordelijkheden juridisch en bestuurlijk scherp maken, houden we het kind centraal in plaats van het tekort, het proces of het doorschuiven.
Jan Vroomans
Politiek op Inhoud