Addendum brandbrief jeugdzorg: geen basisnorm, geen onafhankelijk toezicht – zorgvacuüm en willekeur dreigen

Addendum brandbrief jeugdzorg: geen basisnorm, geen onafhankelijk toezicht – zorgvacuüm en willekeur dreigen


Op donderdag 18 december 2025 hebben wij Den Haag een brandbrief gestuurd over de koers in de jeugdzorg. De kern was toen al helder: als het Rijk geen duidelijke basisnorm vastlegt voor wat minimaal onder jeugdhulp moet vallen, ontstaat er ruimte voor verschillen, doorschuiven en juridische onzekerheid. Gemeenten, verzekeraars en regio’s gaan dan ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheid handelen, maar zonder één centrale ondergrens die overal geldt. En precies daar hoort Den Haag regie te nemen: de wetgever bepaalt de basis, gemeenten voeren uit.

Precies daarom hebben wij, in aanvulling op onze brandbrief, een addendum opgesteld en dit voor de formatie en via de Vaste Kamercommissie VWS neergelegd, omdat de stelselrisico’s inmiddels zichtbaar worden in de praktijk.

VGZ december 2025: een route verdwijnt, de basis is niet geborgd


Sinds die brandbrief is één ontwikkeling extra relevant geworden, omdat die laat zien wat er gebeurt als die basisnorm ontbreekt. In december 2025 kondigde VGZ aan dat vaktherapie voor minderjarigen per 1 januari 2026 niet langer via de aanvullende verzekering wordt vergoed, met de redenering dat deze zorg onder de Jeugdwet valt en daarmee een gemeentelijke verantwoordelijkheid is. Daarmee wordt zichtbaar hoe snel een route naar hulp kan verdwijnen, terwijl niet is geborgd dat de andere route overal beschikbaar, toegankelijk en duidelijk is.

Regie is geen voorkeur, maar een plicht van de wetgever


Dit is geen discussie over één therapievorm. Dit gaat over systeemverantwoordelijkheid. De Jeugdwet legt de afbakening van jeugdhulp bij de gemeenteraad via de verordening (artikel 2.9) en verplicht het college jeugdhulp te bieden als eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen tekortschieten (artikel 2.3). Gemeenten mogen organiseren, inkopen en prioriteren, maar zij mogen niet onder de ondergrens zakken van wat door de wetgever is gedecentraliseerd.

Het ontbrekende fundament: een landelijk basispakket als vertrekpunt


Juist daarom moet die ondergrens duidelijk zijn. En precies daar faalt het huidige beleid: Den Haag heeft de verantwoordelijkheid voor jeugdhulp gedecentraliseerd, maar heeft nagelaten om concreet vast te leggen wat minimaal beschikbaar moet blijven en hoe wordt voorkomen dat kinderen tussen domeinen verdwijnen. Als je de basis niet scherp maakt, ontstaat er geen eenduidige uitvoering maar een lappendeken van keuzes.

Wat er gebeurt als Den Haag de basis laat zweven


Als Den Haag de basisnorm niet vastlegt, krijg je drie bewegingen tegelijk – elk op zichzelf verklaarbaar, maar samen risicovol:

  1. Verzekeraars bouwen af en verwijzen naar de Jeugdwet
    Het besluit van VGZ laat zien dat verzekeraars hun aanvullende pakketten kunnen aanpassen en daarbij expliciet kunnen verwijzen naar “gemeentelijke verantwoordelijkheid”.
  2. Gemeenten en regio’s begrenzen onder financiële druk
    Onder druk van kostenstijgingen wordt regionaal gestuurd op afbakening: niet meer inkopen, beperken of herdefiniëren wat nog als jeugdhulp wordt gezien.
  3. Niemand borgt dat er altijd een route blijft bestaan
    Zonder landelijke norm en afspraken met zorgverzekeraars is niet gegarandeerd dat het wegvallen van de ene route automatisch betekent dat de andere route tijdig en passend beschikbaar is. Het gevolg is voorspelbaar: vertraging, onzekerheid en uiteindelijk zwaardere problematiek bij de kinderen die juist de meeste bescherming nodig hebben.

Dit is het zorgvacuüm waar wij voor waarschuwen: het ontstaat buiten beleidstaal om, omdat routes verdwijnen en verantwoordelijkheden verschuiven.

Beleid en toezicht vallen nu te veel samen


Er is nog een vierde, fundamenteel probleem dat in de landelijke discussie vaak wordt onderschat: toezicht op beschikbaarheid is te politiek georganiseerd. In de praktijk bepalen gemeenten via verordening, toegang en budgetten mede wat er aan jeugdhulp beschikbaar is. Tegelijk is het toezicht daarop vooral democratisch georganiseerd: de gemeenteraad controleert het college.

In het duale stelsel is de gemeenteraad formeel de controleur van het college. In de praktijk ligt dat ingewikkelder. Zonder medewerking van coalitiepartijen is er meestal geen raadsmeerderheid om bij te sturen, informatie af te dwingen of daadwerkelijk consequenties te verbinden aan beleid. Daarmee is controle op beschikbaarheid niet alleen een kwestie van “de raad stelt vragen”, maar van politieke machtsverhoudingen: de coalitie moet bereid zijn haar eigen wethouders te corrigeren.

Juist daar zit de systeemfout. Coalitiepartijen hebben er belang bij om het college overeind te houden, dossiers bestuurbaar te houden en financiële kaders te bewaken. Dat maakt het in de praktijk lastig om scherp te controleren op de gevolgen van eigen keuzes, zeker wanneer die keuzes worden verpakt als “normaliseren” of “kostenbeheersing”. Het resultaat is dat beleidsvorming en toezicht te veel samenvallen: de overheid die via verordening, toegang en budgetten mede bepaalt wat beschikbaar is, is vervolgens ook afhankelijk van een politieke meerderheid om zichzelf te corrigeren.

NZa: wel signaleren, geen toezicht op gemeenten


Opvallend is dat de NZa per 1 januari 2026 een rol krijgt in signalering en inzicht rond de beschikbaarheid van jeugdzorg, maar dat het formele toezicht op gemeenten niet bij de NZa ligt. In de huidige inrichting blijft de primaire controle op gemeentelijke keuzes in de jeugdzorg bij de gemeenteraad. Daarmee ontbreekt een onafhankelijke toezichthouder die daadwerkelijk kan ingrijpen als beschikbaarheid en continuïteit onder druk komen te staan. Juist dat maakt het stelsel kwetsbaar: als de ondergrens niet landelijk is vastgelegd en toezicht niet onafhankelijk is georganiseerd, ontstaat ruimte voor zorgvacuüm en willekeur zonder tijdige correctie.

De lat die Den Haag zelf niet haalt, wordt lokaal wél verlangd


Hier zit nog een extra parallel die Den Haag zich moet aantrekken. Op nationaal niveau is de controlerende macht bij uitstek de Tweede Kamer. 150 Kamerleden, fulltime, met fractieondersteuning en gespecialiseerde medewerkers. Toch laten dossiers als de toeslagenaffaire en Groningen zien hoe moeilijk het is om de controlerende taak structureel boven politieke kleur, coalitiediscipline en bestuurlijke druk te plaatsen. Op precies de onderwerpen waar het mis kan gaan, blijkt onafhankelijk toezicht en externe correctie cruciaal.

Tegelijk legt de wetgever bij de jeugdzorg het toezicht op beschikbaarheid in essentie bij de gemeenteraad. Daarmee wordt van een lekenbestuur – parttime, met beperkte ondersteuning en vaak onder hoge lokale druk – verwacht dat het wél kan wat zelfs landelijk op cruciale dossiers niet altijd lukt: tijdig, onafhankelijk en boven partijpolitiek ingrijpen, terwijl het eigen college en de eigen coalitie aan de knoppen zitten. Bij een kwetsbare doelgroep is dat geen realistische inrichting, maar een onwenselijke en risicovolle systeemkeuze.

Voor kwetsbare kinderen en gezinnen is dat een onaanvaardbare organisatievorm. Je kunt bij een doelgroep waar tijdigheid, continuïteit en veiligheid cruciaal zijn niet leunen op een systeem waarin toezicht feitelijk neerkomt op zelfcontrole. Democratische controle is essentieel, maar zonder onafhankelijke borging is het onverantwoord om te doen alsof dit voldoende waarborg biedt voor de beschikbaarheid van jeugdzorg.

De spiegel naar Den Haag: landelijke beloftes vragen landelijke levering


Landelijk spreken partijen als VVD, CDA en D66 over een betrouwbare overheid, menselijke maat en een stelsel dat werkt voor gezinnen. Dat zijn geen vrijblijvende woorden. Als Den Haag die belofte serieus neemt, hoort daar één fundamentele keuze bij: de basisnorm moet centraal worden vastgesteld, uniform voor heel Nederland, en moet in samenhang met zorgverzekeraars worden uitgewerkt zodat afbakening nooit leidt tot onverzekerbaarheid of discontinuïteit. En beschikbaarheid moet niet alleen politiek worden “bewaakt”, maar ook onafhankelijk kunnen worden getoetst en gecorrigeerd.

Waarom wij Den Haag opnieuw aanschrijven


Precies daarom hebben wij, in aanvulling op onze brandbrief van 18 december 2025, een addendum gestuurd aan de formerende partijen en alle fracties geïnformeerd. Het besluit van VGZ in december 2025 maakt zichtbaar wat er gebeurt als de basisnorm ontbreekt: een route kan verdwijnen zonder dat het stelsel garandeert dat een kind elders tijdig geholpen wordt. Dat is het moment waarop Den Haag niet kan volstaan met “het is gedecentraliseerd”, maar regie moet nemen op de basis van de wet.

Agenderingsverzoek Vaste Kamercommissie VWS


Omdat dit onderwerp het hele stelsel raakt en niet alleen de formatietafel, hebben wij de Vaste Kamercommissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport gevraagd om dit punt te agenderen. Daarmee leggen we dit signaal neer via de reguliere parlementaire route, zodat het openbaar en inhoudelijk besproken kan worden. We hebben de commissiegriffier verzocht de stukken door te geleiden aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, zodat ook zij deze stelselrisico’s expliciet kunnen betrekken bij de basisnorm-discussie en de afstemming met zorgverzekeraars.

Onze oproep aan Den Haag

  1. Stel landelijk vast wat minimaal onder jeugdhulp moet vallen (basisnorm), zodat gemeenten niet zelf impliciet de ondergrens bepalen en kinderen niet afhankelijk zijn van woonplaats of lokale keuzes.
  2. Borg dat gemeenten zich aan die ondergrens moeten houden en dat afbakening via inkoop of regionale afspraken daar niet onder kan zakken.
  3. Werk de basisnorm uit in samenhang met zorgverzekeraars, met heldere pakketduiding en afspraken, zodat afbakening nooit leidt tot onverzekerbaarheid.
  4. Regel continuïteit en overgang bij wijzigingen, zodat lopende trajecten niet omvallen door polis- of inkoopbesluiten.
  5. Organiseer toezicht op beschikbaarheid zodanig dat het niet uitsluitend politiek is, maar ook onafhankelijk kan signaleren en corrigeren.

Den Haag moet de basis borgen


Den Haag schrijft de regels. Dan hoort Den Haag ook te borgen dat die regels niet leiden tot een stelsel waarin zorg kan verdwijnen tussen domeinen en toezicht vooral neerkomt op zelfcontrole. Dat is de basis. En die basis moet nu worden vastgelegd.

Documenten

Artikelen

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *