Wmo-rechtspraak als spiegel voor de jeugdzorg: waarom open zorgnormen juridisch niet houdbaar zijn

Wmo-rechtspraak als spiegel voor de jeugdzorg: waarom open zorgnormen juridisch niet houdbaar zijn

Recent hebben wij onze zorgen over de koers in de jeugdzorg expliciet onder de aandacht gebracht van de formerende partijen in Den Haag. In onze brandbrief van 18 december 2025 en het daaropvolgende addendum hebben wij één kernpunt centraal gesteld: het Rijk moet vaststellen wat minimaal onder jeugdzorg valt. Zolang die ondergrens niet concreet is vastgelegd, ontstaat een stelsel waarin verantwoordelijkheden verschuiven, toezicht diffuus is en burgers niet weten waar zij recht op hebben. Dat is geen uitvoeringsvraag, maar een vraag die de wetgever raakt.

De rol van de Tweede Kamer: wetgever én correctiemechanisme

De discussie over jeugdzorg wordt vaak gevoerd alsof deze primair bij het kabinet of bij gemeenten ligt. Dat beeld is onvolledig. De Tweede Kamer is de wetgever van de Jeugdwet en beschikt over het budgetrecht. Net zoals gemeenteraadsleden verantwoordelijk zijn voor hun verordeningen en financiële keuzes, geldt voor de Tweede Kamer dat zij moet ingrijpen wanneer wetgeving in de praktijk niet werkt zoals bedoeld. Decentralisatie betekent niet dat de wetgever zijn verantwoordelijkheid verliest; het betekent juist dat duidelijke kaders en een heldere ondergrens noodzakelijk zijn.

Als het Rijk de minimale aanspraak niet vastlegt, maar tegelijkertijd wel stuurt op kostenbeheersing en ‘normaliseren’, ontstaat een spanning die niet lokaal kan worden opgelost. Gemeenten voeren uit binnen de ruimte die de wet biedt. Als die ruimte te vaag is, wordt de uitkomst per definitie ongelijk en juridisch kwetsbaar.

Wat de Wmo-rechtspraak laat zien over open normen

De lijn in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is hierbij richtinggevend. In meerdere uitspraken over de Wmo heeft de CRvB geoordeeld dat resultaatgerichte beschikkingen met uitsluitend open begrippen – zoals ‘een schoon en leefbaar huis’ – onvoldoende rechtszekerheid bieden als zij niet zijn geconcretiseerd. De kernoverweging is steeds dat een beschikking voor de burger voorzienbaar moet zijn: hij moet kunnen begrijpen welke aanspraak hij heeft, en de rechter moet kunnen toetsen of het bestuursorgaan zijn verplichting nakomt.

Deze rechtspraak raakt direct aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur uit de Algemene wet bestuursrecht, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Een open norm zonder nadere invulling laat te veel ruimte voor beleidsmatige en budgettaire afwegingen achteraf en maakt effectieve rechtsbescherming illusoir. Die juridische kwetsbaarheid is niet nieuw. In de Wmo heeft de hoogste bestuursrechter duidelijk gemaakt dat open normen zonder concrete invulling onvoldoende rechtszekerheid bieden. Begrippen als ‘een schoon en leefbaar huis’ zijn op zichzelf begrijpelijk, maar juridisch problematisch als zij niet meetbaar en toetsbaar zijn uitgewerkt. De kern van die rechtspraak is dat een burger moet kunnen begrijpen waar hij recht op heeft en dat een rechter moet kunnen toetsen of de overheid haar verplichting daadwerkelijk nakomt.

Het gaat daarbij niet om de vraag of maatwerk mag, maar om de eis dat maatwerk niet kan bestaan zonder normering. Een open resultaat zonder ondergrens laat te veel ruimte voor interpretatie, afhankelijk van beleid, budget of uitvoeringspraktijk. Dat is precies wat de rechter in de Wmo-lijn heeft gecorrigeerd.

De parallel met ‘passende jeugdzorg’

De Jeugdwet kent een vergelijkbare systematiek. Artikel 2.3 Jeugdwet verplicht het college om jeugdhulp te bieden wanneer eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen tekortschieten. Artikel 2.9 Jeugdwet legt bij de gemeenteraad de verantwoordelijkheid om bij verordening regels te stellen over de te verlenen jeugdhulp. Die wettelijke constructie veronderstelt echter dat duidelijk is wát onder jeugdhulp valt.

In de praktijk blijven verordeningen vaak steken op het niveau van ‘passende jeugdzorg’ of ‘noodzakelijke ondersteuning’. Daarmee wordt de aanspraak van burgers niet objectief afgebakend, maar afhankelijk gemaakt van beleidsregels, inkoopkeuzes en budgettaire ruimte. Vanuit het perspectief van rechtszekerheid is dat problematisch: een ouder kan niet vooraf vaststellen of een bepaalde vorm van hulp onder de wettelijke aanspraak valt, terwijl juist dat de kern is van een publiekrechtelijke zorgplicht. Als we deze juridische lijn toepassen op de jeugdzorg, wordt het probleem zichtbaar. Ook daar wordt gewerkt met open begrippen als ‘passende jeugdzorg’ en ‘noodzakelijke ondersteuning’. In veel gemeentelijke verordeningen is niet vastgelegd wat de minimale zorg is waarop een kind recht heeft. Zolang het stelsel ruim is en meerdere routes kent, blijft dat probleem vaak onder de radar.

De huidige beweging richting ‘normaliseren’ maakt die open norm echter scherp. Normaliseren betekent in de praktijk vaak begrenzen: minder inzet van specialistische zorg, meer verwijzen naar algemene voorzieningen en strakkere toegang. Dat kan een beleidskeuze zijn, maar juridisch kan die keuze niet los worden gezien van de norm waarop burgers hun aanspraak baseren. Je kunt niet tegelijk de inhoud beperken en de norm open laten, en dan verwachten dat rechtszekerheid behouden blijft.

Toezicht zonder tegenmacht

De juridische kwetsbaarheid wordt versterkt door de wijze waarop toezicht is ingericht. De Nederlandse Zorgautoriteit heeft op grond van haar wettelijke taak geen toezicht op gemeenten in de jeugdzorg, maar hooguit een signalerende en informerende rol. Het formele toezicht op gemeentelijk handelen ligt bij de gemeenteraad.

Daarmee ontbreekt een onafhankelijke toezichthouder die kan ingrijpen wanneer beschikbaarheid, toegankelijkheid of continuïteit van jeugdzorg onder druk komt te staan. Vanuit het perspectief van rechtsbescherming is dat een zwakke constructie: normstelling, uitvoering en controle vallen samen binnen één politiek-bestuurlijk domein. Dat staat op gespannen voet met de gedachte dat juist bij ingrijpende publieke zorgverplichtingen een externe correctie noodzakelijk is om burgers effectief te beschermen. Daar komt bij dat het toezicht op de jeugdzorg niet onafhankelijk is georganiseerd. De Nederlandse Zorgautoriteit heeft een rol in signalering en inzicht, maar geen toezichthoudende bevoegdheid richting gemeenten. Het toezicht op beschikbaarheid ligt formeel bij de gemeenteraad. Daarmee vallen normstelling, uitvoering en controle samen binnen één politiek systeem.

Dat maakt het stelsel kwetsbaar, zeker wanneer financiële druk toeneemt en beleidskeuzes als ‘onvermijdelijk’ worden gepresenteerd. Nationale dossiers als de toeslagenaffaire en Groningen hebben laten zien wat er kan gebeuren wanneer controle te lang politiek wordt geïnterpreteerd in plaats van onafhankelijk gecorrigeerd.

Van open norm naar juridisch risico

De combinatie van open normen, beleidsmatige begrenzing en gebrek aan onafhankelijke tegenmacht leidt tot een juridisch risico. Burgers weten niet waar zij recht op hebben, uitvoerders opereren in een grijs gebied en geschillen belanden uiteindelijk bij de rechter. Dat is geen theoretisch scenario, maar een logisch gevolg van de inrichting van het stelsel.

De consequentie: normstelling en verordening moeten samen bewegen

Als de weg van normaliseren en begrenzen wordt ingeslagen, kan dat juridisch alleen houdbaar zijn als de norm wordt aangescherpt. Dat betekent op landelijk niveau: het vastleggen van een minimale ondergrens van jeugdzorg door de wetgever. En op lokaal niveau: het aanpassen van de verordening zodat voor burgers concreet, toetsbaar en voorspelbaar is welke zorg zij mogen verwachten.

De Wmo-rechtspraak laat zien waar een stelsel met open zorgnormen uiteindelijk op vastloopt.

De praktijk wordt zichtbaar bij de rechter: de zaak Nuenen

Dat deze discussie geen abstract juridisch debat is, blijkt inmiddels ook in de praktijk. Op woensdag 14 januari ligt bij de bestuursrechter een verzoek om een voorlopige voorziening voor waarin de gemeente Nuenen wordt verweten geen besluit te nemen op een aanvraag voor specialistische buitenschoolse opvang. Het college weigert feitelijk om een inhoudelijk besluit te nemen over de aanspraak op jeugdzorg.

Juist dit niet-beslissen is juridisch veelzeggend. Een besluit opent de weg naar bezwaar, beroep en rechterlijke toetsing. Door geen besluit te nemen, wordt die rechtsgang feitelijk geblokkeerd. Daarmee verschuift de discussie van de inhoud van de zorg naar het vermijden van juridische toetsing.

Deze handelwijze past in het bredere patroon dat ontstaat bij open normen en beleidsmatige begrenzing. Als niet helder is wat minimaal onder jeugdzorg valt, en als gemeenten onder druk staan om zorg af te bakenen, wordt het aantrekkelijk om aanvragen niet inhoudelijk te beoordelen. Dat is geen oplossing van het probleem, maar een symptoom van een dieper liggende systeemfout.

Vanuit het perspectief van rechtsbescherming is dit een ernstige ontwikkeling. Het recht op jeugdzorg wordt daarmee niet alleen inhoudelijk onduidelijk, maar ook procedureel uitgehold. Burgers kunnen hun aanspraak niet laten toetsen, terwijl juist de rechter de aangewezen instantie is om open normen te concretiseren wanneer de wetgever dat nalaat. De jeugdzorg hoeft die weg niet opnieuw te bewandelen, maar dat vraagt nu om duidelijke keuzes van de wetgever. Niet wachten tot de rechter corrigeert, maar vooraf zorgen voor rechtszekerheid, toetsbaarheid en een helder fundament onder de jeugdzorg.

Onze inbreng voor Gemert-Bakel

Onze inbreng en belofte voor Gemert-Bakel is helder en consequent: wij accepteren geen jeugdzorg die drijft op open normen, bestuurlijke vaagheid en het vermijden van verantwoordelijkheid. Wij staan voor een stelsel waarin kinderen en ouders weten waar zij recht op hebben, waarin keuzes juridisch houdbaar zijn en waarin zorg niet verdwijnt door beleidstaal als “normaliseren”.

Dat betekent dat wij lokaal geen inhoudelijke begrenzingen doorvoeren zonder dat de aanspraak in de verordening concreet, toetsbaar en rechtszeker is vastgelegd, en dat wij Den Haag blijven aanspreken op zijn plicht om de minimale jeugdzorg landelijk

Jan Vroomans
Politiek op Inhoud

Meer info

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *