Op 30 juni 2026 heeft het college van Gemert-Bakel een positief principebesluit genomen over het varkensbedrijf aan de Burgemeester Nooijenlaan 15 in De Rips. Formeel gaat het om een vormverandering van het agrarische functievlak, maar die omschrijving vertelt maar een deel van het verhaal. De vormverandering is namelijk nodig om een nieuwe stal voor 2.900 vleesvarkens mogelijk te maken. Volgens het Eindhovens Dagblad kan het totale aantal varkens daarmee bijna verdubbelen tot circa 7.000 dieren.
In de eerste berichtgeving werd gesteld dat het varkensbedrijf bijna mag verdubbelen. Dat is niet juist. Het college heeft nog geen toestemming gegeven om de nieuwe stal te bouwen en ook de uitbreiding van het aantal dieren is nog niet vergund. Wel heeft het college met het positieve principebesluit bewust de eerste bestuurlijke stap gezet om die uitbreiding mogelijk te maken.
Politiek op Inhoud heeft daarover op 6 augustus raadsvragen ingediend. De beantwoording door het college volgt na het zomerreces.
Burgemeester Nooijenlaan 15 – wat is er nu eigenlijk besloten? De uitbreiding is nog niet vergund. Bekijk in één oogopslag wat het college wél heeft besloten en welke stappen nog moeten volgen.
Volgens de RIN staat een bestaande stal gedeeltelijk buiten het huidige agrarische functievlak. Met de vormverandering wordt deze stal volledig binnen het functievlak gebracht. Waarom een deel van deze stal nu buiten het functievlak ligt, wordt in de RIN niet uitgelegd.
Het college heeft de uitbreiding nog niet toegestaan, maar heeft wel bestuurlijk de deur geopend voor het vervolg. Zonder deze vormverandering kan de nieuwe stal volgens de RIN niet op de gewenste plaats worden gerealiseerd.
Het gaat om meer dan een vormverandering
De huidige begrenzing van het agrarische functievlak biedt volgens de RIN geen ruimte voor de nieuwe stal. Met de vormverandering wordt die ruimte wel gecreëerd. Tegelijkertijd wordt een bestaande stal, die nu gedeeltelijk buiten het functievlak staat, volledig binnen de nieuwe begrenzing gebracht. De totale oppervlakte van het functievlak blijft ongeveer 1,47 hectare.
Het college verschuift dus niet alleen een lijn op de kaart om een bestaande situatie te corrigeren. Dezelfde vormverandering is nadrukkelijk bedoeld om een nieuwe stal voor 2.900 vleesvarkens en daarmee een uitbreiding van het bedrijf mogelijk te maken.
Daarna moet nog een belangrijk traject worden doorlopen. De ondernemer moet onderzoeken uitvoeren, waarna een procedure voor wijziging van het omgevingsplan kan worden gestart. De gemeenteraad is daarbij bevoegd gezag. Ook zijn vervolgens nog de benodigde vergunningen nodig. Uit de besluitenlijst van het college blijkt bovendien dat het principebesluit één jaar geldig is en dat aan de ondernemer voorwaarden zijn meegegeven in een afzonderlijke begeleidende brief.
De uitbreiding is dus nog lang geen feit. Maar het college heeft wel uitgesproken dat het deze ontwikkeling in principe wenselijk vindt en bereid is de procedure daarvoor open te zetten.
Opvallend is bovendien dat volgens de RIN een bestaande stal nu gedeeltelijk buiten het agrarische functievlak staat. Met de vormverandering wordt die stal volledig binnen het functievlak gebracht. Hoe die situatie is ontstaan, wordt niet uitgelegd. Ook wordt niet duidelijk of de stal destijds rechtmatig buiten het huidige functievlak is gebouwd en gebruikt, of dat met deze vormverandering feitelijk ook een bestaande planologische afwijking wordt hersteld of gelegaliseerd. Ook daarover hebben wij het college vragen gesteld.
Waarom staat een bestaande stal deels buiten het functievlak? De vormverandering maakt niet alleen een nieuwe stal mogelijk. Ook een bestaande stal wordt volledig binnen het agrarische functievlak gebracht.
Op basis van de RIN kan dat niet worden vastgesteld. De stukken geven simpelweg onvoldoende informatie om te beoordelen waarom een deel van de bestaande stal buiten het functievlak ligt en welke juridische status deze situatie heeft.
De vormverandering heeft hierdoor twee verschillende functies. Enerzijds wordt een bestaande situatie planologisch ingepast. Anderzijds wordt ruimte gecreëerd voor een geheel nieuwe stal voor 2.900 vleesvarkens. Voor een zorgvuldige beoordeling moet duidelijk zijn welk deel van het besluit ziet op het herstellen van de bestaande situatie en welk deel nodig is voor de uitbreiding.
Raad pas geïnformeerd nadat het college al ja heeft gezegd
Opvallend is ook de positie van de gemeenteraad. Het college schrijft in de RIN zelf dat de ontwikkeling politiek gevoelig kan zijn en dat de raad daarom in een vroeg stadium wordt geïnformeerd. Maar die informatie komt pas nadat het college het positieve principebesluit al heeft genomen.
Dat wringt. De vormverandering is mede nodig om een nieuwe stal en uitbreiding van het aantal dieren mogelijk te maken, terwijl juist de gemeenteraad later zelf moet besluiten over de noodzakelijke wijziging van het omgevingsplan. Als het college de ontwikkeling zelf politiek gevoelig vindt, had het meer voor de hand gelegen om de raad vóór het positieve principebesluit te vragen hoe zij tegen deze uitbreiding aankijkt.
Nu wordt eerst bestuurlijk uitgesproken dat het college wil meewerken, krijgt de ondernemer daarmee een positief signaal en wordt de raad daarna geïnformeerd. Formeel kan dat, maar bestuurlijk vinden wij die volgorde niet logisch. Zeker niet bij een ontwikkeling waarvan het college zelf erkent dat deze politiek gevoelig is en waarvan de uiteindelijke planologische besluitvorming nog bij de gemeenteraad ligt.
Waarom juist nu meewerken aan uitbreiding?
Dat is voor Politiek op Inhoud de belangrijkste vraag. Noord-Brabant heeft de koers voor veehouderijen de afgelopen periode juist verder aangescherpt. Sinds 1 juli 2026 moeten veehouders maatregelen hebben genomen om de ammoniakemissie uit verouderde huisvestingssystemen terug te brengen. Voor onder andere varkenshouderijen geldt dat een huisvestingssysteem na vijftien jaar als verouderd wordt beschouwd.
Die aanpak is niet alleen gericht op een eenmalige modernisering. De provincie laat huisvestingssystemen opnieuw aanpassen zodra zij de daarvoor geldende leeftijd bereiken. Daarmee moet de ammoniakemissie van de Brabantse veehouderijlocaties in 2035 gemiddeld 46 procent lager zijn dan in 2019. Dat percentage is een gemiddelde over alle sectoren en alle locaties en is dus geen uniforme reductieplicht van 46 procent voor ieder afzonderlijk bedrijf. In 2030 wordt beoordeeld of het totale pakket voldoende resultaat oplevert.
Tegelijkertijd beperkt de provincie in specifieke situaties ook het alsnog benutten van stikstofruimte die alleen op papier aanwezig is. Van 1 juli 2026 tot 1 januari 2032 geldt daarvoor bij veehouderijen een tijdelijk handelingsverbod, onder meer bij locaties waar al drie jaar geen bedrijfsmatig vee meer wordt gehouden en bij natuurtoestemmingen voor stallen waarvan drie jaar geen gebruik is gemaakt. In die periode beoordeelt de provincie per individueel geval of de niet-benutte ruimte definitief wordt ingetrokken.
De provinciale beweging is daarmee helder: bestaande emissies moeten verder omlaag en het opnieuw benutten van ongebruikte stikstofruimte wordt beperkt. Tegen die achtergrond is het opvallend dat Gemert-Bakel nu juist planologisch de deur opent voor een nieuwe stal en een forse toename van het aantal dieren.
Twee ED-artikelen: van een te rooskleurig beeld naar de werkelijke situatie Het eerste bericht legde vooral de nadruk op meer varkens met minder uitstoot. Het vervolgartikel laat zien dat uitbreiding juridisch en bestuurlijk nog allerminst vanzelfsprekend is.
Eerste bericht: “Meer dieren, maar minder uitstoot”
In het eerste artikel lag de nadruk sterk op het technische voordeel van de nieuwe stal. Het aantal varkens kan fors toenemen, terwijl volgens de berekeningen de uitstoot tegelijkertijd afneemt.
Dat klinkt aantrekkelijk: bijna een verdubbeling van het aantal dieren en toch minder uitstoot. Maar daarmee ontstaat ook gemakkelijk het beeld dat de uitbreiding feitelijk al mogelijk is.
Lees het eerste ED-artikelMinder berekende uitstoot is relevant, maar betekent niet automatisch dat de uitbreiding juridisch kan worden gerealiseerd. Een positieve houding van het college is bovendien nog geen definitieve toestemming voor een nieuwe stal en bijna 2.900 extra vleesvarkens.
Vervolgartikel: “Er liggen beren op de weg”
In het tweede artikel kiest het ED een duidelijk andere invalshoek. Niet alleen de lagere uitstoot staat centraal, maar vooral de vraag of de uitbreiding juridisch en bestuurlijk daadwerkelijk uitvoerbaar is.
Daarmee ontstaat een veel vollediger beeld: een moderne stal kan technisch schoner zijn en toch tegen belangrijke ruimtelijke en natuurrechtelijke obstakels aanlopen.
Lees het vervolgartikel in het EDPolitiek op Inhoud wees er eerder al op dat verschillende besluiten niet met elkaar mogen worden verward. Een positieve houding tegenover de ruimtelijke ontwikkeling is iets anders dan een definitieve vergunning voor uitbreiding van het bedrijf.
De kern: de discussie gaat niet alleen over de vraag of een nieuwe stal schoner kan zijn.
De echte vraag is of een uitbreiding van circa 4.000 naar bijna 6.900 varkens binnen de ruimtelijke en natuurrechtelijke regels daadwerkelijk kan worden toegestaan.
Het tweede ED-artikel maakt die onzekerheid zichtbaar en geeft daarmee een veel completer beeld dan het eerste bericht.
Schoner worden geeft niet automatisch ruimte voor meer dieren
Om te begrijpen waarom een lagere berekende uitstoot niet automatisch betekent dat uitbreiding ook mogelijk is, moeten we kijken naar het provinciale beleid. Brabant staat voor twee opgaven die hier direct samenkomen: de Natura 2000-gebieden moeten worden beschermd en hersteld, terwijl bestaande veehouderijen hun ammoniakemissie verder moeten terugbrengen. In onderstaande klapper leggen we uit hoe dat beleid werkt en wat dit betekent voor een uitbreiding met 2.900 vleesvarkens in De Rips.
Provinciaal beleid · Natura 2000 en veehouderij Natuur moet verbeteren, oude stallen moeten schoner – maar uitbreiding is een ander verhaal Brabant moet verslechtering van Natura 2000 voorkomen. Tegelijk moeten verouderde stallen schoner worden. De provinciale reductieaanpak geeft echter niet automatisch ruimte om vervolgens meer dieren te houden.
Daarbij moeten verschillende zaken uit elkaar worden gehouden: de wettelijke verantwoordelijkheid voor Natura 2000, de provinciale regels waarmee bestaande veehouderijen hun ammoniakemissie moeten verminderen én de afzonderlijke juridische beoordeling wanneer een ondernemer vervolgens het aantal dieren wil uitbreiden.
Natura 2000: de provincie kan niet alleen afwachten
Als beschermde natuurwaarden verslechteren of dreigen te verslechteren, moet de overheid passende maatregelen treffen. De provincie moet daarom kunnen uitleggen welke daling van stikstofdepositie noodzakelijk is, binnen welke termijn die daling moet worden bereikt en met welke maatregelen dat daadwerkelijk gebeurt.
De wettelijke verplichting om Natura 2000 te beschermen betekent niet dat iedere bestaande natuurvergunning automatisch moet worden ingetrokken.
Intrekking kan een passende maatregel zijn. De provincie kan ook andere maatregelen inzetten, mits voldoende wordt onderbouwd dat daarmee de noodzakelijke bescherming en verbetering van de natuur wordt bereikt.
De provincie heeft ruimte bij de keuze van maatregelen, maar kan niet volstaan met de mededeling dat er provinciaal beleid bestaat.
Uiteindelijk moet aannemelijk zijn dat het totale maatregelenpakket voldoende resultaat oplevert voor de beschermde Natura 2000-gebieden.
Brabantse veehouderijaanpak: 46% is géén verplichte korting voor ieder bedrijf
In 2035 moet de ammoniakemissie van de Brabantse veehouderijlocaties volgens de provinciale aanpak gemiddeld 46 procent lager zijn dan in 2019.
Dat betekent nadrukkelijk niet dat iedere afzonderlijke veehouderij precies 46 procent moet reduceren.
Het percentage van 46 procent is het gemiddelde resultaat dat de provincie in 2035 over alle sectoren en alle veehouderijlocaties samen wil bereiken.
Welke reductie uiteindelijk op een individuele locatie wordt bereikt, hangt af van de diercategorie, de toepasselijke reductienormen, de leeftijd van de stallen en het aantal toegestane dieren.
Het provinciale systeem verdeelt niet willekeurig een reductiepercentage over individuele ondernemers.
- Er gelden vooraf vastgestelde normen per diercategorie.
- Het moment waarop een stal moet worden aangepast hangt samen met de leeftijd van het huisvestingssysteem.
- Het aantal dieren dat volgens vergunningen en toestemmingen is toegestaan, speelt mee bij het locatieplafond.
- Daardoor kan de feitelijke reductie per bedrijf verschillen zonder dat ieder bedrijf individueel een willekeurig percentage krijgt opgelegd.
De provincie vermeldt expliciet dat uitbreiding van dierplaatsen binnen de aanpak voor vermindering van ammoniakemissie niet mogelijk is.
Ook omschakelen naar een andere diercategorie valt daar niet onder. Voor dergelijke ontwikkelingen blijft een natuurvergunning nodig.
Schonere stallen leveren niet automatisch vrije stikstofruimte op voor extra dieren
Juist bij plannen waarbij oude stallen worden aangepast of vervangen en tegelijkertijd meer dieren worden gehouden, speelt de vraag of de lagere uitstoot van de bestaande situatie mag worden ingezet voor de nieuwe ontwikkeling.
Dat wordt intern salderen genoemd: de stikstofgevolgen van een nieuwe of gewijzigde activiteit worden vergeleken met de stikstofgevolgen van de bestaande toegestane situatie op dezelfde locatie.
Stel dat een oude stal veel ammoniak uitstoot en een nieuwe stal aanzienlijk schoner wordt. Het verschil tussen oud en nieuw is dan niet automatisch vrije emissieruimte die voor extra dieren kan worden gebruikt.
Eerst moet worden beoordeeld of die emissiedaling niet juist nodig is voor de bescherming en het herstel van Natura 2000. Als die reductie daarvoor nodig is, kan die niet zonder nadere onderbouwing tegelijkertijd als mitigerende maatregel voor uitbreiding worden ingezet.
Een technisch schonere stal kan een belangrijke verbetering zijn. Maar bij een uitbreiding moet vervolgens juridisch worden vastgesteld welke bestaande emissie als referentie mag worden gebruikt, of intern salderen mogelijk is en of aan het additionaliteitsvereiste wordt voldaan.
Pas daarna kan worden beoordeeld of de provincie voor de uitbreiding daadwerkelijk een natuurvergunning kan verlenen.
Een oude stal vervangen mag onder voorwaarden – maar die route is niet bedoeld voor uitbreiding
Brabant heeft onder voorwaarden ruimte gecreëerd om verouderde stallen te vervangen door vernieuwbouw. Daarvoor geldt een aantal strikte voorwaarden.
De bijzondere provinciale route voor het vervangen van een verouderde stal kan niet zonder meer worden gebruikt om tegelijkertijd het aantal dieren uit te breiden.
Het principebesluit gaat niet alleen over het verduurzamen van een bestaande stal. Met de vormverandering wordt ook ruimte gecreëerd voor een nieuwe stal voor 2.900 vleesvarkens en daarmee voor een forse uitbreiding van het aantal dieren.
Het college stelt dat ondanks die uitbreiding de totale emissies kunnen afnemen. Technisch kan dat mogelijk zijn wanneer een moderne stal veel minder ammoniak per dier uitstoot.
Maar daarmee is de natuurrechtelijke vraag nog niet beantwoord.
- Welke natuurtoestemming heeft het bedrijf op dit moment?
- Hoeveel dierplaatsen en welke emissie maken juridisch deel uit van de referentiesituatie?
- Welke emissiereductie volgt sowieso uit het provinciale beleid voor bestaande en verouderde huisvestingssystemen?
- Mag de resterende emissiereductie daadwerkelijk worden ingezet voor intern salderen?
- Is die reductie additioneel, of is zij al nodig voor behoud, herstel of het voorkomen van verslechtering van Natura 2000?
- Kan op basis daarvan een passende beoordeling worden gemaakt waarmee de provincie een natuurvergunning voor 2.900 extra vleesvarkens kan verlenen?
Noord-Brabant schrijft zelf dat het niet goed gaat met de natuur en dat vergunningverlening daardoor momenteel slechts zeer beperkt mogelijk is.
Een positief gemeentelijk principebesluit en een technisch berekende emissiedaling geven daarom nog geen zekerheid dat Gedeputeerde Staten uiteindelijk ook een natuurvergunning voor de uitbreiding kunnen verlenen.
De kern: schonere stallen, provinciale emissiereductie en uitbreiding van een veehouderij zijn drie verschillende zaken.
Brabant verplicht bestaande veehouderijen stapsgewijs hun ammoniakemissie te verminderen. Gemiddeld moet dit in 2035 leiden tot circa 46 procent minder ammoniakemissie dan in 2019. Dat is geen individuele reductieplicht van 46 procent voor ieder bedrijf.
De emissiereductie die door modernisering ontstaat, is bovendien niet automatisch vrije ruimte voor extra dieren. Bij uitbreiding moet afzonderlijk worden beoordeeld of intern salderen mogelijk is, of aan het additionaliteitsvereiste wordt voldaan en of een natuurvergunning kan worden verleend.
Juist daarom is bij De Rips de centrale vraag niet alleen of een nieuwe stal technisch schoner is, maar of die nieuwe stal natuurrechtelijk ook daadwerkelijk ruimte kan bieden aan 2.900 extra vleesvarkens.
Eerst uitstoot reduceren en tegelijkertijd uitbreiding voorbereiden
Daar ontstaat voor ons een bestuurlijke tegenstelling. Noord-Brabant verplicht veehouderijen hun bestaande ammoniakuitstoot stapsgewijs terug te brengen, werkt toe naar gemiddeld 46 procent reductie in 2035, beoordeelt in 2030 of aanvullende maatregelen nodig zijn en beperkt tot 2032 het alsnog gebruiken van bepaalde ongebruikte stikstofruimte.
Gemert-Bakel besluit ondertussen positief mee te werken aan een vormverandering die mede bedoeld is om een nieuwe stal voor 2.900 vleesvarkens en een forse uitbreiding van het aantal dieren mogelijk te maken.
Dat hoeft op zichzelf niet te betekenen dat de gemeente juridisch iets doet wat verboden is. Een principebesluit is immers nog geen natuurvergunning. De vraag is wel waarom het college deze bestuurlijke deur nu al openzet, terwijl uit de RIN niet blijkt dat vooraf is vastgesteld dat de voor de uitbreiding noodzakelijke natuurvergunning ook daadwerkelijk haalbaar is.
Voor Politiek op Inhoud is dat geen detail dat ergens aan het einde van een procedure kan worden bekeken. De haalbaarheid van de natuurvergunning bepaalt uiteindelijk of de ontwikkeling waarvoor je het omgevingsplan wilt aanpassen überhaupt gerealiseerd kan worden.
Nog geen drie weken later barst in Den Bosch het debat los
Nog geen drie weken nadat Gemert-Bakel het positieve principebesluit nam, kondigde Noord-Brabant op 17 juli aan de natuurvergunningen van vijf bestaande veehouderijen vergaand te willen beperken. De provincie moet uitvoering geven aan rechterlijke uitspraken en beoordelen welke maatregelen noodzakelijk zijn om verdere verslechtering van kwetsbare Natura 2000-gebieden tegen te gaan.
Op 14 augustus kwam Provinciale Staten daarvoor in een extra vergadering bijeen. De discussie liep zo hoog op dat een motie van wantrouwen tegen gedeputeerde Boelema werd ingediend. Die motie kreeg geen meerderheid. Wel werd een motie van VVD en Lokaal Brabant aangenomen waarmee GS opnieuw met de vijf ondernemers om tafel moet om nog een ultieme poging te doen tot oplossingen te komen. De gedeputeerde erkende tijdens het debat bovendien dat het proces richting de ondernemers niet goed was verlopen en bood daarvoor excuses aan.
De vijf provinciale dossiers zijn juridisch niet hetzelfde als Burgemeester Nooijenlaan 15. Bij die bedrijven gaat het om bestaande natuurvergunningen en de vraag of en in welke omvang die kunnen worden beperkt. In De Rips gaat het om een nieuwe bedrijfsontwikkeling.
Maar juist in die context vinden wij het onverstandig om zonder een duidelijke natuurrechtelijke haalbaarheid alweer een nieuwe uitbreidingsprocedure te openen. Terwijl in Den Bosch een fel debat wordt gevoerd over de ruimte die bestaande vergunninghouders nog mogen behouden, zet Gemert-Bakel de deur open voor een ontwikkeling waarvoor opnieuw een natuurrechtelijke beoordeling en natuurvergunning nodig zijn.
Wat heeft het college de ondernemer al verteld?
Uit de openbare besluitenlijst blijkt dat het positieve principebesluit is gekoppeld aan voorwaarden die zijn opgenomen in een begeleidende brief aan de ondernemer. Die brief is niet met de RIN aan de gemeenteraad verstrekt. Ook is niet zichtbaar welke gesprekken voorafgaand aan het collegebesluit zijn gevoerd en welke verwachtingen daarbij zijn gewekt.
Daarom hebben wij niet alleen vragen gesteld over stikstof en vergunningverlening. We willen ook weten wat het college, de portefeuillehouder en betrokken ambtenaren vóór en na het principebesluit met de ondernemer hebben besproken. Is duidelijk meegedeeld dat het principebesluit geen garantie biedt op een wijziging van het omgevingsplan? Is duidelijk gemaakt dat de provincie nog een natuurvergunning moet kunnen verlenen? Is hierover vooraf met de provincie gesproken? En welke kosten wordt de ondernemer nu geacht te maken voor verdere onderzoeken en planvorming?
Een ondernemer moet erop kunnen vertrouwen dat een gemeente helder communiceert over de werkelijke status en haalbaarheid van een ontwikkeling. Het is daarom van belang om te weten welke verwachtingen met dit positieve principebesluit zijn ontstaan.
Met D66 in het college is dit ook D66-beleid
Het principebesluit van 30 juni is genomen door het huidige college van CDA, Dorpspartij en D66. Daarmee draagt ook D66 bestuurlijke verantwoordelijkheid voor deze koers.
Deze lijn kan dus niet uitsluitend worden gezien als een voortzetting van keuzes uit de vorige bestuursperiode. D66 maakt nu deel uit van het college dat in principe positief staat tegenover het mogelijk maken van deze uitbreiding.
Juist nu de provincie bestaande uitstoot verder wil reduceren, ongebruikte stikstofruimte beperkt en vergunningverlening door de stikstofproblematiek moeilijk blijft, kiest het nieuwe college van Gemert-Bakel ervoor de deur voor een forse uitbreiding van het aantal varkens, volgens het ED tot circa 7.000 dieren, niet dicht te houden maar juist open te zetten. Wij willen weten waarom.
Raadsvragen zijn op 6 augustus ingediend
Politiek op Inhoud heeft daarom op 6 augustus raadsvragen ingediend. De beantwoording volgt na het zomerreces.
Daarin vragen we onder andere welke natuurtoestemming het bedrijf nu heeft, hoeveel dieren op grond daarvan zijn toegestaan, hoeveel dierplaatsen feitelijk zijn gerealiseerd en waarop de door het college genoemde emissiereductie precies is gebaseerd. Ook vragen we of die emissiedaling ontstaat doordat bestaande uitstoot wordt verrekend met de uitstoot van de nieuwe stal en hoe het college dat beoordeelt in het licht van de aangescherpte regels voor intern salderen.
Daarnaast willen we weten of het college vóór het principebesluit met de provincie heeft gesproken over de haalbaarheid van een natuurvergunning en, als dat overleg heeft plaatsgevonden, wat de provincie daarover heeft gezegd.
Tot slot vragen we het college het volledige traject inzichtelijk te maken dat nog moet worden doorlopen voordat de nieuwe stal daadwerkelijk kan worden gebouwd en het aantal dieren kan worden uitgebreid. Daarbij moet per beslismoment duidelijk worden wie bevoegd is en hoe realistisch het college zelf inschat dat een positief besluit kan worden verkregen. Dat geldt in het bijzonder voor de vraag hoe realistisch het college het acht dat de provincie voor deze uitbreiding uiteindelijk daadwerkelijk een natuurvergunning kan en zal verlenen.
Waarom zou je als gemeente nu al bestuurlijk de deur voor een forse uitbreiding openzetten, terwijl juist de natuurvergunning de doorslaggevende hobbel vormt en de provincie tegelijkertijd beleid voert waarin bestaande emissies verder omlaag moeten?
Jan Vroomans
Politiek op Inhoud
Wilt u automatisch op de hoogte blijven van nieuwe artikelen, antwoorden en ontwikkelingen? Volg dan Politiek op Inhoud op Facebook.
Raadsvragen · 6 augustus 2026 12 raadsvragen over uitbreiding varkensbedrijf De Rips Waarom werkt het college nu al positief mee, terwijl nog niet duidelijk is of de uitbreiding ruimtelijk en natuurrechtelijk daadwerkelijk uitvoerbaar is?
De vragen gaan niet alleen over de technische en juridische haalbaarheid. POI wil ook weten welke mededelingen, toezeggingen en verwachtingen vóór en na het principebesluit richting de ondernemer zijn uitgesproken, welke kosten inmiddels worden gemaakt en welke bestuurlijke of financiële gevolgen kunnen ontstaan wanneer het plan uiteindelijk niet uitvoerbaar blijkt.
In het volledige document staan de vragen zoals deze op 6 augustus 2026 aan het college zijn gesteld.
De kern van de vragen: een principebesluit is nog geen toestemming voor uitbreiding.
Voordat verwachtingen worden gewekt en kosten worden gemaakt, wil Politiek op Inhoud duidelijk hebben welke stappen nog nodig zijn, wie daarover beslist en hoe realistisch het daadwerkelijk is dat een uitbreiding naar bijna 7.000 varkens uiteindelijk kan worden vergund.