EC-klacht over RH41 ingediend – Staatssteun en overcompensatie ter grootte van een nieuw complex voor VV Gemert

EC-klacht over RH41 ingediend – Staatssteun en overcompensatie ter grootte van een nieuw complex voor VV Gemert

Vandaag hebben wij namens Politiek op Inhoud een 74 pagina’s tellende klacht over mogelijke verboden staatssteun in de deal rond Rooije Hoefsedijk 41 (RH41) ingediend bij de Europese Commissie. Deze klacht wordt mede gesteund en ingediend door Sociaal Gemert-Bakel en D66.

Ook het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is geïnformeerd, omdat dit voor ons niet alleen een juridisch staatssteundossier is, maar vooral een kwestie van goed bestuur in Gemert-Bakel.

In die klacht reconstrueren we de dossiers Wolfsbosscheweg 29 (2017) en RH41 (2025) en laten we zien dat er een structureel patroon van overbetaling en wegkijken van staatssteunrisico’s is ontstaan. Samen gaat het in deze twee transacties om circa 5,5 miljoen euro aan publieke middelen, waarvan wij met onze klacht ruim 3 miljoen euro als overcompensatie betwisten.

Na 1 januari 2026 kan dat effectief richting 4 miljoen euro oplopen, omdat de ondernemer dan alsnog verplicht moet ontmantelen zonder aanvullende vergoeding. In de kern gaat het om vijf punten.

Vijf kernpunten van de klacht

  1. MEIP 2017: bij Wolfsbosscheweg 29 is ver boven een zakelijke marktwaarde betaald voor een vrijwillige deal, zonder dat er een onteigeningsprocedure liep. Een MEIP-toets (Market Economy Investor Principle: wat een normale, rationeel handelende particuliere investeerder onder dezelfde omstandigheden zou betalen) laat juist zien dat de overeengekomen prijs ver boven een zakelijke bandbreedte ligt.
  2. MEIP 2025: bij RH41 is opnieuw ver boven een zakelijke marktwaarde betaald, terwijl de risico’s voor de overheid zijn overdreven en voor de ondernemer zijn afgekocht.
  3. Anti-cumulatie: dezelfde ondernemer / economische eenheid ontvangt in 2017 én 2025 forse vergoedingen voor hetzelfde beleidsdoel (geur- en ontwikkelingsruimte), zonder serieuze EU-anticumulatiecheck.
  4. Selectiviteit: één ondernemer wordt ruimhartig uitgekocht, terwijl andere veehouders en locaties met vergelijkbare hinder niet hetzelfde aanbod of instrumentarium krijgen.
  5. Governance: de manier waarop taxaties en onderhandelingen zijn georganiseerd – met een taxateur die tegelijk onderhandelaar en politieke boodschapper is, zonder toezicht en zonder verslaglegging – druist in tegen elementaire beroepsregels én gezond bestuur.

Dit zijn geen technische details, maar bewuste keuzes. Geen ongelukkige samenloop, maar een werkwijze die aantoonbaar tot overcompensatie heeft geleid.

2017: taxateur, onderhandelaar en politieke boodschapper

In 2017 sluit de gemeente een vrijwillige vaststellingsovereenkomst met dezelfde ondernemer voor het varkensbedrijf aan de Wolfsbosscheweg 29. Er is geen rechter die onteigent, geen vonnis dat de schade vaststelt of een aankondiging van onteigening. Toch wordt de schadeloosstelling opgebouwd alsof er volledig onteigend wordt: vermogensschade, inkomensschade, sloop, advieskosten, alles zit in het pakket.

De centrale speler is hier de externe taxateur/onderhandelaar. Uit de stukken blijkt dat deze niet alleen de waardebepaling doet en namens de gemeente onderhandelt, maar ook als doorgeefluik fungeert richting de ondernemer. In zijn eigen verslag aan de ambtelijke organisatie en portefeuillehouder Miranda de Ruiter bevestigt de taxateur dat hij aan de ondernemer heeft meegegeven dat hij “geen politiek mag bedrijven”, geen informatie zal “lekken” en zeker niet naar raadsleden en fracties, omdat dat de kans op vragen zou vergroten.

Met andere woorden: de taxateur legt niet alleen de waarde vast, maar legt óók vast dat hij een politieke instructie aan de wederpartij heeft overgebracht en netjes heeft uitgevoerd. Dan dringt zich één vraag op: is dit een taak van een taxateur, die volgens zijn beroepscode onafhankelijk en objectief hoort te handelen, of is dit het uitvoeren van een politieke opdracht die daar vér buiten valt?

Daar bovenop is er boven de eigen taxatiewaarde betaald. Terwijl in dezelfde periode de provinciale regels voor intensieve veehouderij worden aangescherpt en de investerings- en vergunningsrisico’s voor verouderde bedrijven toenemen, wordt de schadeloosstelling niet opnieuw getoetst of geactualiseerd.

Er komt geen hertaxatie met een echte MEIP-berekening: wat zou een normale investeerder betalen voor een oud, risicovol bedrijf onder aangescherpt beleid? In plaats daarvan schuift de uitkomst richting de bovengrens, met als resultaat een schadeloosstelling die miljoenen boven een zakelijke waarde ligt.

Die mix – taxateur als onderhandelaar, politieke instructie aan de ondernemer, boven de eigen taxatiewaarde betalen zonder hertaxatie – is geen ongeluk. Dat is een bewuste manier van werken.

Parallel met 2025: zelfde recept, nieuw dossier

Wie vervolgens naar 2025 kijkt, ziet hetzelfde recept terug bij RH41, maar dan nog verfijnder uitgewerkt.

Ook hier is de taxateur tegelijk onderhandelaar. Ook hier ontbreekt een duidelijke, schriftelijke opdracht waarin staat hoe staatssteun, MEIP en anti-cumulatie moeten worden meegenomen. Ook hier is er geen ambtelijk toezicht aan de onderhandelingstafel: geen gemeentelijke vertegenwoordiger die meeluistert, geen gespreksverslagen, geen eigen dossiervorming. Wat er precies is afgesproken tussen taxateur en ondernemer, is achteraf niet verifieerbaar.

De taxatie zelf wordt in meerdere stappen opgetrokken. Er verschijnen tussentaxaties waarin de waardes telkens hoger worden. De benchmarks verschuiven richting moderne topbedrijven met jonge stallen en recente investeringen. De hogere prijzen per dierplaats uit die moderne bedrijven worden vrijwel één-op-één geplakt op RH41, terwijl RH41 een verouderd bedrijf is met stallen uit de jaren tachtig, negentig en begin 2000, asbest, achterstallig onderhoud en nog substantiële, verplichte investeringen die juist na aankoop nodig zouden zijn om het bedrijf weer op peil te brengen.

Die toekomstige investeringen zijn in de waardering niet als minpost meegenomen, maar feitelijk genegeerd.

Vergelijk het met een jaren-tachtigwoning met een oude keuken, enkel glas en energielabel G. Een serieuze taxateur zal bij de waardering natuurlijk kijken naar de prijzen van moderne, duurzame woningen in dezelfde wijk, maar daar hoort dan een forse korting bij om de achterstand in te lopen. Geen enkele professionele taxateur komt ermee weg als hij de m²-prijs van een nieuwbouwhuis bijna rechtstreeks op een jaren-tachtigwoning plakt, zonder expliciet te waarschuwen dat dat niet realistisch is.

Precies dat gebeurt hier: de taxateur maakt nergens expliciet de kanttekening: “Let op, we vergelijken een oud bedrijf met jonge topbedrijven, hier hoort een forse marktkorting en aftrek voor nog te doen investeringen bij.” Integendeel: er wordt gewerkt met bovengrenzen en naar boven afgerond.

Dat roept onvermijdelijk de vraag op: hoe onafhankelijk is deze taxatie uitgevoerd als dit soort cruciale verschillen niet benoemd worden? Wiens belang is hier feitelijk gediend: dat van de gemeente Gemert-Bakel en haar inwoners, of dat van de wederpartij die graag de hoogst mogelijke schadeloosstelling wil en welke rol speelt de “onafhankelijke taxateur” hierin?

Daarmee raakt de taxatie niet alleen aan de grenzen van de beroepscode voor taxateurs (NRVT/RICS), maar gaat zij er in de praktijk overheen: geen transparantie over beperkingen, geen zichtbare terughoudendheid bij grote onzekerheden én tegelijk optreden als onderhandelaar in dezelfde transactie. Kort gezegd: de taxateur die het rapport schrijft, is dezelfde die aan de onderhandelingstafel zit en een opdracht uitvoert die nergens schriftelijk is vastgelegd. Daarmee heeft de gemeente zichzelf bewust afhankelijk gemaakt van één externe partij, zonder de waarborgen die bij dit soort miljoenendeals horen.

Onteigeningsmethodiek als standaard, staatssteuntoets ontbreekt

Zowel in 2017 als in 2025 wordt door adviseurs en taxatiebureau volstaan met de redenering dat de “gebruikelijke onteigeningsmethodiek” is toegepast. Met andere woorden: als we rekenen alsof er onteigend zou worden, dan zal de prijs wel goed zijn.

Dat klinkt juridisch, maar mist de kern. In beide dossiers gaat het om vrijwillige deals, niet om een door de rechter uitgesproken onteigening. Juist in vrijwillige deals is de MEIP-toets leidend: hoe zou een normaal, rationeel handelend privaat investeerder in dezelfde situatie handelen? Die vraag is nooit echt gesteld en zeker niet gedocumenteerd beantwoord.

Ook op de staatssteun-dimensie is bewust weggekeken. Dezelfde ondernemer, binnen één economische eenheid, ontvangt in 2017 en 2025 forse vergoedingen voor hetzelfde beleidsdoel: ruimte creëren voor gemeentelijke ontwikkeling (geur, industrieterrein, woningbouw). Dat vraagt om een harde anti-cumulatie-toets en een expliciete beoordeling van selectiviteit: waarom deze ondernemer wél en andere veehouders of locaties níet?

In plaats daarvan is bestuurlijk volgehouden dat het om “twee verschillende bedrijven” zou gaan, zodat anti-cumulatie niet zou gelden. In het staatssteunrecht is dat geen serieuze redenering: daar gaat het om de economische eenheid, niet om het aantal KvK-nummers. Wie zich minimaal verdiept in de regels, weet dat. En wie twijfelt, kan het staatssteunloket van BZK raadplegen. Geen van beide is gebeurd.

Bewuste keuzes, geen misverstand

Onze conclusie na 74 pagina’s analyse is dat hier geen sprake is van een serie onschuldige fouten, maar van bewuste keuzes.

  • Er is bewust gekozen voor een constructie waarin de taxateur tegelijk onderhandelaar en boodschapper is.
  • Er is bewust meer betaald dan de eigen taxatiewaarde, zonder hertaxatie na beleidswijzigingen.
  • Er is bewust gewerkt met referenties die de waarde omhoog duwen, zonder eerlijke correctie.
  • Er is bewust vastgelegd (2017) dat de ondernemer geen contact met de raad moest zoeken, om vragen te voorkomen.
  • Er is bewust vastgehouden aan het verhaal van “twee bedrijven”, terwijl iedereen wist dat het dezelfde ondernemer binnen één structuur betrof.

Daarmee heeft de taxateur in de praktijk niet de belangen van de gemeente Gemert-Bakel gediend, maar vooral de belangen van de wederpartij en/of de bestuurlijke wens om “de deal rond te krijgen”. En het college – gesteund door CDA, Dorpspartij en VVD – heeft dat bij de laatste deal blind geaccepteerd, verdedigd en bekrachtigd, ondanks herhaalde signalen en waarschuwingen van ons.

Waarom dit politiek is

Dit alles raakt rechtstreeks aan de kern van onze lokale democratie. Het gaat om miljoenen aan gemeenschapsgeld, uitgegeven zonder serieuze MEIP-toets, zonder anti-cumulatie en zonder voorafgaande staatssteun-voortoets of advies van BZK. De raad is bewust onvolledig geïnformeerd en achteraf wordt alles gepresenteerd als “marktconform” omdat een expert dat zo zou hebben opgeschreven.

Dat is niet alleen een juridisch risico richting Brussel, maar vooral een politiek risico richting inwoners. Want als straks blijkt dat hier sprake is van verboden staatssteun, moet de gemeente verplicht handelen: terugvordering, rente, reputatieschade en opnieuw minder ruimte voor voorzieningen waar inwoners wél direct iets van merken.

Onze bevindingen en aanbevelingen hebben wij tussentijds per e-mail gedeeld met de gemeentesecretaris, expliciet gericht aan burgemeester en secretaris, zodat zij hun verantwoordelijkheid konden nemen om de werkwijze rond grote aankopen en staatssteunrisico’s te verbeteren. Tot op heden hebben wij nog geen reactie hierop ontvangen..

Wat er nu moet gebeuren

De klacht bij de Europese Commissie is geen doel op zich, maar een middel om dit patroon te doorbreken. Wat ons betreft zijn de lessen helder:

  • nooit meer een taxateur die tegelijk onderhandelaar of politieke boodschapper is in dezelfde deal;
  • altijd een schriftelijke, transparante opdracht inclusief MEIP-kaders, staatssteun-check en verslagleggingsplicht;
  • structureel gebruikmaken van het staatssteunloket van BZK bij vrijwillige miljoenendeals;
  • anti-cumulatie standaard toetsen zodra dezelfde economische eenheid eerder is gecompenseerd;
  • een raad die volledige, niet-selectieve informatie krijgt, inclusief alle rapporten, scenario’s en risico’s;
  • en een college dat niet langer wegkijkt van staatssteunrisico’s, maar ze vooraf onder ogen ziet en beheerst.

Pas dan kunnen we in Gemert-Bakel met recht zeggen dat we binnen de Europese regels handelen én zorgvuldig omgaan met gemeenschapsgeld.

Ik ben nu acht jaar raadslid en heb in die periode al veel slechte besluiten voorbij zien komen. Ook besluiten waarbij de raad wegkijkt en geen verantwoordelijkheid neemt. Maar dit dossier staat voor mij met stip op één. Sinds september 2025 heb ik meer dan 250 uur gestoken in het reconstrueren van de feiten en het opstellen van een onderbouwde melding in Brussel.

Niet omdat ik niets beters te doen heb, maar omdat hier geen maatschappelijk belang wordt gediend op een manier die je nog kunt uitleggen. Dan blijft er maar één eerlijke reactie over: op inhoud keihard optreden om het te veel betaalde geld terug te halen.

Pas dan kunnen we in Gemert-Bakel met recht zeggen dat we binnen de Europese regels handelen én zorgvuldig omgaan met gemeenschapsgeld.

Op basis van alle stukken is het voor mij geen vraag meer óf hier sprake is van verboden staatssteun en overcompensatie, maar alleen nog óf de Europese Commissie onze onderbouwing volgt en hoe hoog de uiteindelijke terugvordering zal uitvallen.

In mijn ogen staat vast dat er minimaal ruim 3 miljoen euro te veel is weggevloeid – potentieel zelfs richting 4 miljoen na 1 januari 2026. Dat is gemeenschapsgeld dat we ook gewoon in een nieuwe accommodatie voor VV Gemert hadden kunnen steken, in plaats van in overcompensatie en politieke wensdeals.

Noot voor ondernemers en inwoners

Voor ondernemers die zich zorgen maken of het bedrijventerrein nu nog wel kan doorgroeien, is één punt belangrijk: uit het onafhankelijke onderzoek van Pouderoyen Tonnaer bleek al in 2022 dat er ook zonder dure uitkoop van RH41 mogelijkheden waren om Wolfsveld/Smartpark verder te ontwikkelen. Door slim te schuiven met bouwvlakken en rekening te houden met de geurcontouren zijn er scenario’s denkbaar waarbij de omgekeerde-werking-knelpunten worden verminderd zónder een miljoenenvergoeding aan één ondernemer.

Voor inwoners van de Paashoef geldt ondertussen dat de nieuwe provinciale koers juist inzet op forse emissiereductie bij bestaande stallen en een veel strengere toets voor uitbreiding: oude stallen moeten verduurzamen om aan de eisen te voldoen, terwijl nieuwe stallen en uitbreidingen alleen nog met een volledige natuurtoestemming en stikstofreductie van de grond komen.

In de praktijk betekent dit dat grootschalige groei bij RH41 vrijwel onhaalbaar wordt, en dat de ondernemer óf fors moet investeren in schonere technieken óf afbouwen. In beide gevallen gaat de geurbelasting op termijn naar beneden – ook zonder de nu gekozen, dure route via overcompensatie.

Jan Vroomans
Fractievoorzitter Politiek op Inhoud

Andere artikelen RH41

Email aan BZK en EC

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *